Cisterciënzerorde van de Strikte Observantie (Trappisten)
Esta Carta en español
Cette lettre en français
OMZENDBRIEF 2007
DE LUSTELOOSHEID DIE ONS VERLANGEN NAAR GOD AANTAST
26 Januari 2007
Dierbare broeders en zusters,
Tijdens recente maanden na mijn hersenbloeding, heb ik de tijd en de gelegenheid gehad om te lezen en te mediteren, om een klassieke ondeugd,die allen kennen,te ervaren en te bestrijden, te analyseren en te verduidelijken, namelijk de lusteloosheid. In deze omzendbrief, zou ik mijn beschouwingen met u willen delen, omdat ik denk dat het hier gaat om een typisch monastiek kwaad, dat wegens bepaalde culturele excessen of tekorten onder verschillende vormen overvloedig aanwezig is in de wereld van vandaag.
Ik haast me om te zeggen dat het niet gemakkelijk is om te spreken over de lusteloosheid omdat het hier gaat over een ervaring die veel ingewikkelder is dan de gulzigheid, de ontucht, de gierigheid, de woede, de droefheid, de hoogmoed... Daarom is het belangrijk om ons standpunt te verduidelijken. Er zijn minstens vier verschillende opvattingen in verband met het feit en de ervaring van de lusteloosheid. Heel eenvoudig gesteld kan men het zo zien:
- Een medicus zou als diagnose een verlies van energie kunnen stellen met een organische oorzaak.
- Een psycholoog zou over depressieve symptomen spreken tengevolge van endogene of traumatische oorzaken.
- Een moralist zal denken dat het zou kunnen gaan over een zonde en de ernst daarvan zal afhangen van de volledige kennis en de vrije wil.
- Een geestelijke begeleider zal misschien nagaan of het hier gaat om één van acht logismoi, die hen aanvallen die met alle krachten van hun hart zoeken naar God.
Al deze mensen staan voor het zelfde fenomeen en elkeen geeft zijn mening vanuit zijn standpunt. Allen zijn gedeeltelijk juist, zodat men bij het beoordelen van een bepaald geval rekening moet houden met alle vermelde aspecten. In een “psychologistische” cultuur als de onze, zou het misschien nodig kunnen zijn te herinneren aan de objectieve en gepersonaliseerde kwade werkelijkheid, vijandig en intelligent, die wij demonen of satan noemen.
In deze brief plaats ik mij op het standpunt van de spiritualiteit, in de zin van een geïncarneerd en levend geloof. Ik beschouw dus de lusteloosheid als een kwaad dat tussenkomt bij het zoeken en vinden van God, en ons hierbij blokkeert of misleidt... Lusteloosheid gaat in tegen volharding in het christelijke en monastieke leven. Het is zeer droevig dat te zeggen, maar meer dan eens is het verlaten van het godgewijde leven onbewust veroorzaakt door dat men aangevreten is door deze ondeugd.
Ik plaats mij ook in de context van de geestelijke strijd en van de monastieke ascese die leidt naar de zuiverheid van hart op onze pelgrimstocht naar het ware vaderland in het hart van de Vader.
Ik zal beginnen met de traditie over de “hoofdzonden of hoofdondeugden” in het algemeen en over lusteloosheid in het bijzonder. Daarna zal ik proberen om verscheidene aspecten van deze traditie te onderstrepen, en misschien te verrijken, vooral om ze door te geven aan de jongeren.
1. De ontvangen traditie
1.1. De hoofdzonden
De monniken van de Egyptische woestijnen leren ons dat er ongeordende neigingen zijn die als het ware de bron zijn van de andere. We staan hier dus aan het begin van de traditionele leer over de “hoofdzonden”.
Evagrius Ponticus (+ 399) was de eerste om deze leer te systematiseren. Hij spreekt van acht kwade gedachten of neigingen die de kluizenaar zal moeten bestrijden en overwinnen. Joannes Cassianus (+ 425) vertaalde deze leer in de cenobitische context van het westen.
Wij kennen allen het lot dat deze classificatie van de ondeugden en de hoofdzonden ten deel viel na de Instellingen van Cassianus. De heilige Gregorius de Grote (+ 604) speelde een fundamentele rol in deze evolutie. Hij volgt Cassianus, met enige bijzonderheden die hem eigen zijn: hij veranderde de orde van de ondeugden; lusteloosheid verdween van de lijst, alhoewel sommige van haar uitingen opgenomen zijn in de droefheid. Hij voegt afgunst aan de lijst toe, maar verwijdert hoogmoed, aangezien hij die beschouwt als de wortel en het begin van alle zonden. Hierin volgt hij de Wijsheidsboeken volgens de Latijnse Vulgaat: Het begin van alle zonde is de hoogmoed (Sir 10:1). Later zijn de ijdele glorie en de hoogmoed samengevoegd, wat ons tot de traditionele lijst van de zeven hoofdzonden brengt die zich in het westen doorzette vanaf de 13e eeuw. Joannes Climacus (+ 650) en Joannes Damascenus (+ 749) verspreidden deze leer in de Kerken van het Oosten.
De volgende lijst kan helpen om het voorgaande te verduidelijken. Ik vraag u excuus voor het transcriberen van het Grieks en voor het gebruiken van het Latijn. Wie deze talen niet kennen zullen toch begrijpen wat ik bedoel.
Evagrius Ponticus
-Hoi genikotatoi logismòi
(Practicós 6-14)
Joannes Cassianus
Acht geesten of ondeugden (Instellingen 6-12; Conferenties 5
Gregorius de Grote
-Zeven hoofdzonden
(Moralia in Job 31)-Gastrimargía
-Gastrimargía: ventris ingluvies
- ventris ingluvies
-Invidia
-Porneia
-Fornicatio
-Luxuria
-Philargiría
-Philargiría: amor pecuniae
-Avaritia
-Lype
-Ira
-Ira
-Orge
-Tristitia
-Tristitia (+ aspecten van acedia)
-Akedía
-Acedia: anxietas, taedium cordis, otiositas
-Kenodoxía
-Cenodoxia: iactantia, vana gloria
-Hyperephanía
-Superbia
- Superbia
De verschillen tussen de oostelijke en westelijke lijsten zijn onbelangrijk. Eigenlijk, is de afgunst een soort droefheid over het goed van iemand anders. Lusteloosheid werd een deel van de droefheid en de dimensie van luiheid of de ongezonde ledigheid werd beklemtoond. Om samen te vatten kunnen wij zeggen dat het gezichtspunt van de Latijnse schrijvers meer dogmatisch en moreel is, terwijl dat van de oostelijke geestelijke schrijvers hoofdzakelijk praktisch is, op het vlak van het geestelijke leven.
Sommige middeleeuwse theologen, waaronder Hugo van St. Victor, Petrus Lombardus, Bonaventura en Thomas van Aquino, zullen deze leer op een meesterlijke wijze uiteenzetten. Deze laatste verdient bijzondere aandacht.
Eeuwen later beschrijft Joannes van het Kruis in De Donkere Nacht op meesterlijke wijze hoe deze ondeugden en zonden verschijnen bij personen die reeds gevorderd zijn in het geestelijke leven en beginnen de “passieve nacht van de zintuigen” te ondergaan. In zijn Geestelijke Oefeningen adviseert de heilige Ignatius van Loyola, om wie de oefeningen doet, te laten mediteren over de hoofdzonden. In zijn Inleiding tot het Godsvruchtige Leven geeft de heilige Franciscus van Sales een interessante praktische uiteenzetting.
En de geschiedenis gaat verder. Wij besluiten met een tekst van de Catechismus van de Katholieke Kerk (n 1866): Men kan de ondeugden catalogiseren volgens de tegengestelde deugden of men kan ook verwijzen naar de hoofdzonden, die de christelijke ervaring heeft onderscheiden in navolging van Joannes Cassianus en de heilige Gregorius de Grote. Zij worden hoofdzonden genoemd omdat ze aan oorsprong liggen van andere zonden of ondeugden. Het zijn hoogmoed, gierigheid, afgunst, toorn, ontucht, gulzigheid en luiheid.
Laat me nog een woord zeggen om een weg te openen naar de toekomst. De hedendaagse psychologie heeft zich verdiept in de motivatie en de uitingen van deze ondeugden. De sociologie heeft ons laten zien dat deze ondeugden vaak sociale en culturele vormen aannemen bij zoverre dat zij gestimuleerd worden en respectabel geacht( b.v. hoogmoed die schuilgaat in zelfrespect, of woede vermomd als assertiviteit). Wij kunnen ook vragen stellen over de reden voor het toekennen van deze eerste rang. Zijn er geen andere zonden die vaak meer fundamenteel zijn en de oorzaak zijn van andere kwalen? Men kan zich ook afvragen of deze hoofdzonden beantwoorden aan de ongeordende neigingen van de vrouw en of ze van toepassing zijn op andere culturen of andere godsdiensten.
1.2. Het kwaad van de lusteloosheid
Laten we proberen om in vogelvlucht een globale historische visie te schetsen van de lusteloosheid. Ik ben slechts geïnteresseerd in een paar geestelijke meesters, die de fundamenten legden waarop wij vandaag nog verder bouwen.
De grote theoreticus van de lusteloosheid is Evagrius Ponticus. En we mogen “theoreticus” nemen als een adjectief dat een substantief geworden is als uitdrukking van de bekwaamheid om een geleefde ervaring in concepten weer te geven. Met diep inzicht en humor behandelt Evagrius de verschillende manifestaties van de lusteloosheid. Wij zijn kennen allen deze teksten en het is niet nodig om hen hier te citeren, aangezien zij de laatste jaren diepgaand en helder bestudeerd zijn.
Voor onze bedoeling volstaat het te wijzen op enkele zeer belangrijke aspecten van de leer van Evagrius. Lusteloosheid is een complex geheel van gedachten en emoties. Zij voedt zich tezelfdertijd met de driftmatige en de begeerlijke affectiviteit, en roept gewoonlijk alle andere ondeugden op. Dit verklaart waarom de uitingen uiterst tegenstrijdig kunnen schijnen: luiheid en activisme, verlamming en frenesie, frustratie en agressiviteit, vlucht voor het goede en overgave aan het kwaad. Het resultaat kan dan ook een soort van innerlijke desintegratie zijn.
De droefheid is de tweelingzuster van lusteloosheid. Zij zijn gelijkaardig in sommige opzichten maar niet identiek. De droevige persoon vindt gemakkelijker hulp voor zijn kwaal, terwijl de lusteloze totaal opgesloten is. De droefheid is een voorbijgaande gedeeltelijke ervaring, maar de lusteloosheid is globaal en blijvend en in deze zin tegengesteld aan de menselijke natuur.
De belangrijkste symptomen van de lusteloosheid, deze “demon van de middag”, zijn: innerlijke onstandvastigheid en nood aan verandering (rondzwerven in gedachten of in werkelijkheid), bovenmatige zorg voor de eigen gezondheid, (bezorgdheid voor het voedsel), afkeer voor de handenarbeid (luiheid en inactiviteit), ongecontroleerd activisme (onder de schijn van naastenliefde), verwaarlozing van de kloosterpraktijken (minimalisme in de observantie), indiscrete ijver voor een paar ascetische oefeningen (met maximale kritiek voor de naaste), algemene ontmoediging (met het begin van een depressie).
Aangezien lusteloosheid alle andere ondeugden activeert, kan ze niet door één enkele tegengestelde deugd worden genezen. Er is een gevarieerde veelvormige therapie nodig: tranen van berouw (een niet-verbaal schreeuwen om redding); toevlucht tot het Woord van God (in tegenstelling tot de insinuaties van de ondeugd); meditatie over de dood (het heden in het licht van de eeuwigheid); geduld, weerstand en volharding (die compensaties vermijdt en zijn hoop stelt op de Heer). Het is gemakkelijk om in te zien dat al deze remedies of wapens tot een ontmoeting met God leiden. Tenslotte is lusteloosheid een vlucht voor God en alleen maar te genezen door daadwerkelijk en geduldig te zoeken naar zijn Aanschijn.
Voor de lusteloosheid is Joannes Cassianus afhankelijk van Evagrius wiens leer hij verspreid heeft. Hij volgt deze leer, systematiseert ze en vereenvoudigt de gegevens. Hij gebruikt het Griekse woord en vertaalt het als verveling of tegenzin en benauwdheid van hart. Hij versterkt het verband tussen droefheid en lusteloosheid, zodat de zusters tweelingen of zelfs “klonen” worden. Hij legt zeer veel nadruk op één enkel symptoom, de luiheid, waardoor ook het geneesmiddel van de handenarbeid wordt beklemtoond. Zo laat hij heel onschuldig toe dat de demon van de middag zich verbergt of tracht zich te verbergen in de eeuwen der eeuwen.
Nochtans vertoont de leer van Cassianus over de lusteloosheid of verveling ook enkele eigen kenmerken. Het meest interessante betreft “de zonen en de dochters van lusteloosheid”, namelijk luiheid, slaperigheid, ongeschiktheid, onrust, rondzwerven, onstandvastigheid van geest en lichaam, babbelzucht en nieuwsgierigheid.
Het belang van Cassianus met betrekking tot de lusteloosheid is tweevoudig. Dank zij hem kwam het ascetisme van de Egyptische woestijnen naar het westelijk monachisme op een manier die in deze cultuur paste voor cenobieten. En dank zij zijn inspanningen om de leer die hij ontvangen had te systematiseren, zal zijn invloed zich laten voelen in de komende generaties.
De heilige Gregorius de Grote is een erfgenaam van deze traditie. Zijn onderricht betekent een mijlpaal, zoals wij reeds vermeld hebben, omdat de lusteloosheid verdwijnt van zijn lijst van hoofdondeugden, hoewel sommige van haar elementen in de ondeugd van droefheid geïntegreerd zijn. Verder vertelt Gregorius ons dat het kwaad van de lusteloosheid voortkomt uit droefheid omwille van het goed van God en van al het andere goed dat ermee verbonden is. Met andere woorden, het oordeel van de rede is vervormd: het goed wordt waargenomen als kwaad en het kwaad als goed.
De heilige Benedictus in zijn Regel vermeldt lusteloosheid maar eenmaal: in Hoofdstuk 48 gewijd aan de handenarbeid en de lezing. Dit eenvoudige feit doet ons denken aan de afhankelijkheid van Benedictus tegenover Cassianus. Het hoofdstuk begint met deze woorden:
Ledigheid is de vijand van de ziel: daarom moeten de broeders op bepaalde tijden bezig zijn met handarbeid, en ook op bepaalde tijden met geestelijke lezing (Rb 48, 1).
Wij merken op dat de ondeugd die moet bestreden worden de lusteloosheid of de luiheid is. Het wapen men ons aanbiedt, is de afwisseling tussen het werk en de lectio divina. Later in dit hoofdstuk zal Benedict ons zeggen:
(Tijdens de veertigdaagse vasten) moeten ook een of twee ouderlingen worden aangewezen om in het klooster de ronde te doen op uren dat de broeders aan het lezen zijn, en toe te zien of er misschien een lusteloze broeder is, die de tijd doorbrengt met niets doen of met praten, in plaats van zich met zijn lezing bezig te houden, en die zodoende niet alleen zichzelf schaadt, maar ook anderen van hun plicht afhoudt. Wanneer zo iemand — wat verre zij — zou worden aangetroffen, wordt hij eenmaal en andermaal terechtgewezen. Als hij zich niet betert, ondergaat hij de door de Regel vastgestelde berisping op een wijze die de anderen vrees inboezemt. Ook mag een broeder geen betrekkingen aanknopen met een andere broeder op uren die daar niet voor bestemd zijn. De zondag besteden allen eveneens aan lezing, behalve zij die met de verschillende diensten belast zijn. Als iemand echter zo onverschillig of lusteloos is, dat hij niet wil of niet kan studeren of lezen, wordt hem iets te doen gegeven, zodat hij niet zonder bezigheid is. Zieke of zwakke broeders krijgen iets te doen of te maken dat van dien aard is, dat ze niet ledig zijn maar ook niet bezwijken onder de overmatige inspanning of weglopen. Hun onvermogen moet door de abt in aanmerking genomen worden.. (Rb 48, 14-25)
In de bovengenoemde tekst beschouwt de Heilige Benedictus drie verschillende situaties. De eerste gaat over de veertigdaagse vasten die bij Benedictus model staat voor het gehele leven van de monnik (Rb 49, 1). De straf die de lusteloze broeder ontvangt toont ons aan dat zijn ervaring schuldig is. Het gaat niet om een eenvoudige luiheid of zwakheid maar het is meer een kwestie van gebrek aan belangstelling en een afschuw voor de geestelijke werkelijkheid, terwijl er genoeg energie en belangstelling is om zich over te geven aan dingen die voor zijn monastiek leven nutteloos zijn.
De tweede situatie heeft betrekking op de Zondagen, wanneer er minder tijd is voor het werk en meer voor lezing en meditatie. Als iemand, vrijwillig of onvrijwillig, onverschillig of lusteloos is, zal men hem iets te doen geven zodat hij niet zonder bezigheid is. Het doel van dit werk is meer ascetisch en therapeutisch dan praktisch en productief. Wij zouden ons ervan bewust ons moeten zijn dat de achteloosheid, het gebrek aan zorg of toeleg, het gevolg kunnen zijn van de afwezigheid van verlangens of motieven. In de geest van Benedictus is de lusteloze broeder ook nalatig of lui. Hij blokkeert de vertroosting van de Heilige Geest en verwacht geen Pasen met de vreugde van een geestelijk verlangen! (Rb 49, 6-7).
In de derde situatie, waar Benedict spreekt over de zieke en zwakke broeders die gemakkelijk tot lusteloosheid kunnen vervallen, adviseert hij een licht werk dat aangepast is aan hun krachten..
In de Regel vinden wij een andere reeks teksten over droefheid. Aan de kellenaar wordt nadrukkelijk aanbevolen de broeders niet te bedroeven, en meer algemeen geldt: dat niemand in het huis van God zijn gemoedsrust mag verliezen of gegriefd worden (Rb 31 , 6-7; 18-19). De zwakkere broeders moet hulp gegeven worden bij hun dienst in de keuken, opdat zij dit niet met tegenzin doen, want dit is een bron van rijke beloning en liefde (Rb 35, 1-3). De Regel zegt iets gelijkaardig betreffende het werk op het veld. De droefheid zou hen beletten ware monniken te zijn, in navolging van de Vaders en de Apostelen die werkten met hun handen! (Rb 48, 7-9). In deze drie teksten is de arbeid het terrein waar de droefheid zich kan ontwikkelen die vaak de wachtkamer van de lusteloosheid is. In een dergelijk geval, doet de ziekte de remedie te niet en het werk kan geen remedie meer zijn tegen de ledigheid…
Van de andere kant vinden wij het volgende onder de hulpmiddelen van de geestelijke ambacht: niet vlug toegeven aan slaap, niet lui zijn, de dag van het oordeel vrezen, met heel de drang van zijn hart naar het eeuwig leven verlangen, de dreiging van de dood dagelijks voor ogen houden, graag luisteren naar heilige lezingen, niet jaloers zijn, nooit aan Gods barmhartigheid wanhopen, (Rb 4). Verwijzen deze goede werken niet op de een of andere manier naar de demon van de middag van de lusteloosheid?
De opvatting van Benedictus over de lusteloosheid staat vrij dicht bij de uiteenzetting van Joannes Cassianus in zijn Instituten, waar lusteloosheid, luiheid en droefheid altijd samen worden gevonden en de handenarbeid de algemene remedie is om ze te genezen. Maar er zijn twee belangrijke originele punten. Voor Benedictus is de lusteloosheid een beletsel en een hindernis voor de lectio divina, waardoor de monnik en moniale naar God zoeken. Lusteloosheid koelt het gehemelte af en verhindert de smaak te proeven van de hemel en van God zelf. Het tweede punt is dat de grote remedie van de Benedictus tegen de lusteloosheid het kloosterslot is en de stabiliteit in de gemeenschap (RB 4,78)
De cisterciënzers in de twaalfde eeuw zijn de trouwe getuigen van deze leer van hun patriarch Benedictus, onverminderd hun eigen originaliteit. Luisteren we eens naar een van hen, Aelredus van Rievaulx: Daar de ledigheid de vijand is van de ziel, moet de recluse haar met de grootste zorg vermijden, want zij is de moeder van alle ondeugden. Zij bevordert de zinnelijkheid, stimuleert de drang om te zwerven, voedt de ondeugden, leidt tot lusteloosheid en verwekt droefheid. Zij zaait de slechtste gedachten, wekt ongeoorloofde gevoelens op en oneerbare verlangens. Zij bewerkt dat de eenzaamheid vervelend wordt en de cel onuitstaanbaar. Laat dan ook nooit toe dat de kwade geest u ledig vindt. Maar daar in dit leven onze geest ten prooi kan vallen aan onstandvastigheid moeten we de lusteloosheid vermijden door een geregelde afwisseling van bezigheden en onze eenzaamheid beschermen door afwisseling in het werk ( Regel voor een Recluse 9. Cf. Isaac van Stella, Preek 14, 1-4).
De heilige Thomas van Aquino, die de voorafgaande traditie goed kende, bespreekt de lusteloosheid vanuit een tweevoudig perspectief in zijn Summa Theologica (II-II, 35). Op de eerste plaats, beschouwt hij de lusteloosheid als een soort droefheid die het gemoed van een mens zozeer deprimeert dat hij geen genoegen vindt in wat hij ook doet, zoals dingen koud worden onder de corrosieve inwerking van een zuur. Meer specifiek is lusteloosheid één van de zonden tegen interne act van liefde. Dit wil zeggen dat de lusteloosheid een bijzondere vorm is van de droefheid die zich verzet tegen het goddelijke goed, waarover de liefde zich verheugt. Het resultaat van dit verdriet is een traagheid om te handelen, die de drang naar God en naar de dingen van God verlamt. Zoals wij kunnen zien, bestaat de ernst van lusteloosheid in zijn oppositie tegen de koningin van de theologische deugden, de caritas, die vriendschap is van de mens met zijn God. Wij durven ook zeggen dat de heilige Thomas ons leert om onze eigen geestelijke vreugde te verdedigen en die van de anderen volgens onze mogelijkheden te bevorderen.
Uitgaande van de heilige Gregorius probeert Thomas dan om de verschillende bekende lijsten van zonden die uit lusteloosheid worden afgeleid, te harmoniseren. Aldus spreekt hij over de wanhoop (geen vertrouwen op de hulp van de genade om het kwaad te overwinnen), kleinhartigheid (lafheid van hart in de strijd tegen de bekoring), niet volgen van de voorschriften (niet volgen van de Geboden, de voorschriften van de Kerk en de plichten van staat), wrok (verontwaardiging tegen de deugdzame mensen en tegen de geestelijke leider), boosaardigheid (haat tegen de geestelijke goederen), bezig zijn met ongeoorloofde dingen (instabiliteit, babbelzucht en nieuwsgierigheid).
Lusteloosheid bezet een centrale plaats in het kader van de moraal van de heilige Thomas. Deze ondeugd tast de dynamiek van de actie aan, namelijk de liefde. In feite gaat lusteloosheid in tegen het verlangen naar God en vooral tegen de vreugde die uit vereniging met hem voortkomt.
Wij willen nog iets zeggen over de droefheid dat ons zal helpen om de lusteloosheid beter begrijpen. Volgens de heilige Thomas is het voorwerp van de droefheid het eigen kwaad; maar het kan gebeuren dat het goed van een ander door iemand wordt opgevat als kwaad voor zichzelf. In deze zin kan men droevig zijn over het goed van iemand anders, aangezien het onze eigen glorie of voortreffelijkheid vermindert.. en dat is wat wij afgunst noemen (ST II-II, 36, 1).
Dit alles helpt ons om te begrijpen waarom lusteloosheid geassocieerd wordt met verdriet, ledigheid of luiheid, en afgunst. Meer concreet lusteloosheid:
- Is hoofdzakelijk een theologische vorm van droefheid en afgunst. In deze richting vindt men de heilige Gregorius de Grote en de heilige Thomas. Voor hen, zijn de ledigheid of de luiheid een gevolg van lusteloosheid.
- Secundair, of in de praktijk is het een type van luiheid met betrekking tot goddelijke dingen. Dit is de lijn die gevolgd wordt door vele geestelijke monastieke auteurs die spreken voor de praktijk en de lusteloosheid beschouwen naar zijn concrete gevolgen voor elke dag.
Eeuwen later verschijnt de lusteloosheid bijna niet meer in de woordenschat van de geestelijke auteurs, wat niet betekent dat ze niet meer bestond. De heilige Ignatius van Loyola gebruikt dit woord niet, maar hij kent wel dit kwaad. In zijn Regels voor de geestelijke onderscheiding (GO 313-336), spreekt Ignatius over het werk van goddelijke genade onder de naam van “vertroosting” en het tegengestelde noemt hij “troosteloosheid”. Uit de beschrijving die hij geeft van deze blijkt duidelijk dat het gaat over de lusteloosheid. Luisteren we eens:
Ik noem vertroosting elke vermeerdering van hoop, geloof en liefde en elke innerlijke blijdschap die een oproep en aantrekking inhoudt tot het hemelse en het eigen heil van de ziel en haar aldus rust en vrede geeft in haar Schepper en Heer (GO, 316)
Ik noem troosteloosheid al het tegenovergestelde van de derde richtlijn. Bijvoorbeeld: duisternis en verwarring in de ziel, een beweging naar wat laag en aards is, onrust vanwege verschillende beroeringen en bekoringen, een neiging tot wantrouwen, de ziel die zonder hoop is, zonder liefde, geheel lui, lauw, droevig en als het ware gescheiden van haar Schepper en Heer… (GO 317)
Het is God en zijn heiligen eigen om in hun bewegingen waarachtige blijdschap en geestelijke vreugde te geven, waarbij ze alle droefheid en verwarring die de vijand veroorzaakt wegnemen. De vijand is het eigen om te vechten tegen die blijdschap en geestelijke vertroosting door schijnredenen, spitsvondigheden en aanhouden de misleidingen.(GO, 329)
Zodra het kwaad geïdentificeerd is biedt Ignatius de remedies aan: geen veranderingen aanbrengen, zich verzetten tegen het kwaad door middel van zijn tegengestelden, geduld... en hij verklaart de mogelijke oorzaken: schuldige geestelijke luiheid, een beproeving die helpt tot zelfkennis, leren dat al het geestelijk goed een genade is van God.. (GO 318-322). Aan het eind van zijn Oefeningen, biedt de heilige Ignatius een tegengif aan tegen de lusteloosheid, namelijk, “contemplatie om de Liefde te bereiken”. Deze contemplatie is een oefening voor de volharding in het goede, een manier om het leven van vreugde en vertroosting in de liefde te bewaren en te bevorderen (GO, 230-237).
Tenslotte lezen we in de Catechismus van de Katholieke Kerk:de lusteloosheid of de geestelijke luiheid leidt ertoe dat men de vreugde weigert die uit God komt en een afschuw voelt voor het goed van God (n 2094). Nog concreter, in de context van de bekoring tegen gebed: de lusteloosheid is een vorm van depressiviteit die te wijten is aan de verslapping van de ascese, aan de vermindering van de waakzaamheid, aan de verwaarlozing ... (n 2733). Het is gemakkelijk voor ons om in deze twee teksten de invloed van de Engelachtige Leraar te zien en van de voorafgaande traditie.
2. Een aangeboden traditie
Een levende traditie is een traditie die zich vernieuwt. Ik weet niet in hoeverre wat nu gaat volgen nieuw is, maar ik kan u verzekeren dat het een vrucht is van het leven. Als het licht brengt en aanmoediging heeft het zijn doel bereikt.
2.1 Betekenis van de woorden
Lusteloosheid is een Grieks woord met de basisbetekenis van achteloosheid, verwaarlozing of gebrek aan belangstelling… maar nu interesseert ons hier de Latijnse vertaling van die term, namelijk, taedium. In het Nederlands betekent dit woord verveling, tegenzin, walging, verdriet.
Maar er is ook de term acedia in het vocabularium van de spiritualiteit van bijna alle westerse talen. De fundamentele betekenis daarvan is ledigheid-luiheid (in tegenstelling tot ijver) en droefheid-bitterheid (in tegenstelling tot vreugde).
In het Latijn, is er een hele familie van woorden die verwant zijn met acedia zoals acer, acetum en acerbum. Dit doet ons in figuurlijke zin denken dat de personen die aan lusteloosheid lijden iets zuurs hebben ingenomen, waardoor ze “verzuurd” zijn. Zoals de zoete wijn zuur wordt als hij bederft, zo kan de vreugde van liefde veranderen in zure lusteloosheid.
Dit laat ons toe om te zeggen dat de lusteloze iemand is die “verzuurd” geworden is met betrekking tot al het geestelijke of religieuze . Aangezien het zure en het koude met elkaar worden verbonden (zie Sint Thomas) kunnen we verder gaan met onze “dorpsethymologie” en zeggen dat de lusteloosheid ons lauw maakt want ze verkoelt de vurigheid van de liefde.
De Japanse taal volgt een andere meer directe weg bij het vertalen van het woord, “acedia”. Het gebruikt de term “mu-ki-ryoku, ” namelijk: mu (gebrek), ki (energie), ryoku (sterkte, macht). Het kan ook als iya-ki worden vertaald: iya ( genoeg hebben, moe zijn, afkerig) en ki ( energie) is. Zij die het belang kennen van de term ki in de oosterse culturen, zullen begrijpen dat de acedia zeer ernstig is. De lusteloze is een vermoeide, zonder energie of dynamisme, die een afschuw heeft voor de harmonie met God, met anderen en met het heelal.
2.2. Bijbelse getuigen
Bekijken we nu twee bijbelse teksten met betrekking tot ons thema. Misschien kunnen zij ons licht geven voor een beter inzicht in dit zo kwaadaardig fanatiek gegeven dat verwoestingen blijkt te veroorzaken in de kloosters en er buiten.
De eerste tekst wordt genomen uit het boek Wijsheid, dat oorspronkelijk in het Grieks werd geschreven. Daarin lezen wij: God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid en maakte hem tot het beeld van zijn eigen eeuwigheid, maar door de afgunst van de duivel kwam de dood in de wereld, en zijn aanhangers ondervinden hem (Wijsheid 2:23-24). Deze tekst is rijk aan theologie. De geïnspireerde auteur vertelt ons dat de duivel jaloers was, omdat wij het beeld van God waren en daarom vocht hij tegen ons. Maar wat is afgunst? Het is droefheid om het goed van een ander. Satan aanvaardt het niet en voert oorlog tegen ons omwille van het immense goed van onze unie met God. Satans aanhangers ervaren de zelfde afgunst en dezelfde geestelijke dood en dit verklaart waarom de wereld de zonen en dochters van God niet in vrede kan laten. Er zullen altijd “Cains” zijn die Abel vermoorden; “Herodes” die droevig en wreed worden wanneer zij het goede nieuws horen; “Iscariotes” die in hun koude logica Maria van Bethanie berispen omwille van haar liefde.
De tweede tekst komt uit de Psalmen. In de Latijnse versie van de heilige Hieronymus (Vulgaat) luidt het zo: Dormitavit anima mea prae taedio (Ps.118/119:28). Wij noteren hierbij dat het Griekse woord uit de Septuagint, dat Hieronymus als taedium vertaalt, juist acedia is. Wat is het Hebreeuwse woord dat aan het Grieks ten grondslag ligt? Niets nieuws, het is tugah: verdriet, kwelling. De moderne vertalingen variëren in hun vertaling: schreit van droefheid; druipt weg van treurigheid, schreit van kommer, van verdriet huilt mijn hart….Zoals wij kunnen zien laat deze tekst ons toe te zeggen dat de heilige Gregorius de Grote en de heilige Thomas van Aquino niet verkeerd waren. Wij kunnen er ook aan toevoegen dat Cassianus ook de lusteloosheid verbond met de slaap en de heilige Benedict ons waarschuwt: Niet vlug toegeven aan slaap! (Rb 4, 37).
Maar er is een andere manier om dit geïnspireerde woord te begrijpen. De oorspronkelijke Hebreeuwse tekst kan ook worden vertaald als: Mijn verlangen (nefesh) smelt van verdriet. Met andere woorden de droefheid onderdrukt mijn diepste verlangen dat mij naar God trekt. Wij weten hoe de luie man, die dikwijls verschijnt in het boek van de Spreuken een persoon is die niet functioneert omdat zijn verlangen, gesloten te blijven in zichzelf, hem voert naar de dood (Cf. Spr21:25)
2.3. Het bestrijden van de ongeordende verlangens
De geestelijke strijd begon onmiddellijk na de erfzonde en zal duren tot het einde der tijden: Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en haar kroost; zij zal uw kop bedreigen, en gij u haar hiel ( Gen 3:15). De heilige Paulus plaatst dit gevecht in de dynamiek van het heilsmysterie (Col. 2:15; Eph 6:11-12; ICor 15:24-26 ) en biedt ons de geschikte geestelijke wapens aan (Eph 6:11-17; I Thes 5:8; Cf.. IP 5:8-9).
Als monniken hebben wij graag deze erfenis aangenomen, zodat de uitdrukkingen “strijden voor Christus”en “soldaten van Christus” van in het begin toegepast zijn op het monastieke leven. Onze Cisterciënzer Vaders wisten dit zeer goed. De heilige Bernardus herinnert ons aan de tekst van Paulus “Ik boks niet als iemand die in de lucht slaat” (ICor 9:26 ) en roept uit: Dit is waarlijk de krijgstrompet. Dit zijn de woorden van een moedige kapitein die moedig vecht (Allerheiligen 2, 2).
De menselijke verlangens, die tonen wat wij ons ontbreekt, zijn geworteld in onze gevoelens. Met andere woorden de verlangens bewegen de affectiviteit en deze op haar beurt verwekt hartstochtelijke gedachten. Om de cirkel te sluiten, kunnen de gedachten verlangens stimuleren. Aldus kan een hartstochtelijke gedachte van woede, die door een gefrustreerd verlangen wordt veroorzaakt, leiden tot een verlangen naar wraak en zo zijn we in volle oorlog
Daarom kunnen wij zeggen dat de klassieke strijd tegen de hartstochtelijke gedachten, of logismoi, fundamenteel een strijd is tegen de onderliggende ongeordende verlangens die de gedachten beladen met passie. De grote meesters van het geestelijke leven hebben naar dergelijke verlangens verwezen op verschillende manieren (geesten, demonen, gedachten, kwellingen, affecties, hartstochten, gehechtheid, eetlust, wil, ondeugden, hoofdzonden). Deze meesters hebben ons geleerd om hen te bestrijden en hen te doden in een gevecht van man tegen man, door versterving, zelfverloochening en nederigheid. Tenslotte gaat het er om ons te ontdoen van de oude mens om ons te bekleden met de nieuwe mens, met de hulp van Gods genade.
Het leven en de dood bevinden zich allebei op het slagveld: het leven in God en de dood verre van Hem. Met andere woorden, langs de ene kant hebben we het fundamentele verlangen naar God dat ons verenigt wanneer we aan Hem denken en toelaat dat we ons realiseren als menselijke personen. De gevoelens en gedachten die hieraan ontspringen blijven in relatie met God. Aan het andere uiterste van het slagveld is de persoonlijke desintegratie wanneer wij God vergeten. Daar dichtbij bevindt zich de oorzaak van onze kwaden, namelijk de verlangens, de gevoelens en de gedachten die bepaald worden door slechte objecten of doeleinden.Telkens als deze hartstochtelijke verlangens en gedachten bij ons binnenvallen, benevelen we de gedachte aan God, vergeten we Hem, wordt ons innerlijk verstoord en verzwakt ons fundamenteel verlangen naar God.
Wanneer wij de belangrijkste ongeordende verlangens identificeren, komen we terug bij de hoofdzonden of hoofdondeugden:
- Ongeordende verlangens naar voedsel: gulzigheid
- Ongeordende verlangens naar seksueel genoegen: wellust.
- Ongeordende verlangens naar materiële goederen: hebzucht.
- Onvervulde verlangens en een actieve reactie bij deze frustratie: woede.
- Verzwakt verlangen naar God of inertie betreffende geestelijke werkelijkheid: lusteloosheid.
- Ongeordende verlangens te verschijnen en op te vallen: ijdele glorie.
- Ongeordende verlangens naar eigen superioriteit: trots.
Deze verlangens volgen gewoonlijk een proces in crescendo, dat vrij gemakkelijk te herkennen is. Het zal wel niet nodig zijn om erop te wijzen dat hoe vlugger wij de strijd aangaan des groter de kans van overwinning is:
- Het ontwaken van de verlangens en het gevoel dat erop volgt.
- Dialoog met de opgekomen gedachten.
- Aangetrokken door de mogelijkheid ze te volgen en vrees om er aan toe te geven.
- Strijd om hen te verwerpen of onderwerping aan de vijand.
- Nederlaag of overwinning.
- Gevangenschap in het geval van nederlaag of vrijheid als vrijheid als vrucht van de overwinning.
Laten we kijken naar drie belangrijke algemene principes waarmee men rekening moet houden alvorens het gevecht aan te gaan. Eerst en vooral moeten wij er altijd van bewust zijn dat wij deze verlangens niet zijn. Het enige verlangen waarmee wij ons kunnen identificeren is het fundamentele constitutieve verlangen dat ons opent en naar de Andere en de anderen trekt om ons te realiseren. Op de tweede plaats, komen en gaan deze verlangens gelijk de gevoelens en gedachten die ze voortbrengen.Tenslotte als wij hen niet voeden met andere verlangens, gevoelens of gedachten zullen zij als zeepbellen uiteenspatten.
Het is ook nuttig om de vier traditionele technieken te kennen om tegen deze ongeordende verlangens te strijden.
- De eerste manier is ze aan te vallen zodra zij worden herkend. Dit kan zich worden gedaan door aandacht te richten op iets dat tegengesteld is of verschillend van het voorwerp van het verlangen. Deze praktijk is vaak nuttig en aan te raden wanneer het gaat over verlangens die tot herhaalde of compulsieve gedachten leiden.
- De tweede manier is het ongeordende verlangen te vervangen door het verlangen naar God en zijn Koninkrijk. Dit is de meest geschikte oplossing voor zelfdestructieve verlangens en gedachten die tot een toestand van depressie leiden.
- De derde manier bestaat er eenvoudig in aandachtig de ontwikkeling van het verlangen te volgen, de gevoelens die het opwekt en de gedachten die opkomen. Zo zullen zij verdwijnen zonder sterk genoeg te worden om ons gevangen te nemen. Denken we eraan in dit geval dat gevoelen niet hetzelfde is als toestemmen.
- En de vierde manier is zich grootmoedig en onbaatzuchtig te geven aan een goed werk van ten dienste van de naaste.
Zeggen we tenslotte dat wanneer deze ongeordende verlangens ondeugden worden, of habituele manieren om kwaad te doen, men ze zal moeten uitroeien door met volharding en trouw de tegenovergestelde deugden te beoefenen: matigheid, zuiverheid, edelmoedigheid, geduld, ijver, bescheidenheid, nederigheid en caritas.
Na alles wat er al gezegd is, geldt er in het bijzonder een bepaald woord over de strijd tegen de lusteloosheid. Aangezien het hier gaat om nalatigheid ten opzichte van God en van de middelen die tot Hem leiden, is het moeilijk om die te bestrijden met eenvoudige deugden, afleiding, liefdevolle dienst, waakzaamheid... Evagrius Ponticus, de grote meester over de lusteloosheid, en met hem alle grote geestelijke meesters van het Oosten en het Westen, zeggen ons eenstemmig: hypomone, hypomone, hypomone!, d.w.z. geduld en volharding.
Ten tijde van de bekoring is het nodig de cel niet te verlaten, welke geldige voorwendsels men ook moge bedenken. Integendeel men moet binnen de cel blijven zitten, er volharden (hypomone) en moedig de aanvallers weerstaan, vooral de demon van de acedia die de gewichtigste is van allen en de ziel het ergst op de proef stelt. Want dergelijke strijd ontvluchten en mijden maakt de geest onhandig, laf en onbetrouwbaar (Praktikós 28).
Jezus zelf maakt van deze deugd bijna een absolute eis voor de eeuwige redding: Door standvastig te zijn zult ge uw leven redden. (Lk 21:19). Ik verenig mij dan ook met de stem van de Abt van Clairvaux. De hier volgende aansporing, hoewel ze komt uit een andere context dan de onze, lijkt mij zeer toepasselijk:
Wat blijft er nu nog over, mijn geliefden, dan u aan te sporen tot volharding? Zij alleen betekent de ware roem voor de helden, zij is de bekroning voor alle andere deugden. Zonder de volharding zal de strijder de overwinning niet wegdragen en de overwinnaar de palm niet verwerven. De volharding is de ziel van alle krachten, de voltooiing van alle deugden. Zij is de voedster van alle verdiensten, de middelares tot de beloning. Zij is de zuster van het geduld en de dochter van de standvastigheid, de vriendin van de vrede, eren gordel voor de vriendschap, de band van eensgezindheid, de burcht van de heiligheid. Neem de volharding weg en de dienstvaardigheid verwerft zich geen loon meer, de weldadigheid geen gunst en de sterkte geen lof. Kortom, niet wie begonnen is, maar wie volhard heeft ten einde toe, zal zalig worden. (Br 129,2)
Om te besluiten moeten wij ons allen herinneren dat wat voor ons onmogelijk is, voor God wel mogelijk is. Hij verwacht van ons alleen maar dat we zijn gave zo goed als we kunnen aannemen. Daarom als wij ons te klein en te zwak voelen om de middag-demon van de lusteloosheid te bestrijden, kunnen wij minstens beginnen met dit palliatief dat me aangeraden wordt door de heilige Thomas van Aquino: een stortbad en goede sieste (ST I-II, 38, 5).
Vele punten zijn blijven steken in de inktpot. Zal er een nog een gelegenheid komen om verder te gaan met dit thema? Het zal afhangen van twee voorwaarden: vooral of mijn ervaring blijft toenemen; ten tweede, als deze brief goed wordt ontvangen.
Tenslotte beste broeders en zusters, de lusteloosheid is een duidelijk bepaalde innerlijke toestand, ondanks zijn vele verschillende uitingsvormen. Dit verachtelijk geheel van hartstochten en gedachten bederft de vreugde van God te beminnen en bij Hem te behoren. Maar het ergste van deze echt duivelse ondeugd is dat ze ons fundamenteel verlangen naar God verlamt, bevriest, martelt en wurgt. Op dit verlangen is ons zoeken van zijn Aanschijn gebaseerd en dit maakt dat het kloosterleven is wat het moet zijn: het leven dat ascetisch gericht is op het Mysterie om het op mystieke wijze te smaken.
Met broederlijke groeten in Maria van Sint Jozef.
Bernardo Olivera
Generale Abt